Er was eens, heel lang geleden, een tovenaar die God heette. Volgens sommige mensen was
hij de grootste tovenaar die ooit leefde, anderen geloven dat hij nog steeds leeft. Ze zeggen dat
hij al leefde voordat de aarde bestond, en zelfs al voordat er mensen waren.
Abraham wil een zoon
In al die vroegere jaren dat Tovenaar God op de wereld rondliep en de mensen bang maakte, had hij altijd wel één of meer handlangers. Mensen die precies deden wat hij zei en er voor zorgden dat wie dat niet deed, zijn verdiende straf kreeg.
Noach was zo'n handlanger. Later in dit boek kom je ook nog Daniël, Mozes en David tegen. Allemaal meelopers van de tovenaar, klikspanen die er geen moeite mee hadden om tegenstanders van God gevangen te nemen of zelfs dood te maken.
Of ook Jezus een handlanger was, of juist eerder een rebel, mag je binnenkort zelf uitmaken.
Dit verhaal gaat over Abram. Abram was een van de eerste grote handlangers van God.
In die tijd waren veel mensen hartstikke bang voor God. Bedenk dat de grote zondvloed, waar God alle mensen had vermoord op acht na, minder dan 200 jaar geleden was.
De mensen hadden intussen wel als konijntjes geleefd, want er waren in die 200 jaar honderdduizenden mensen geboren. Die mensen hadden steden gesticht en door het gedoe met de Toren van Babel waren zelfs al veel andere talen en landen ontstaan.
In die tijd leefde Abram dus.
Abram trouwde en zijn vrouw, Sara, bleek geen kinderen te kunnen krijgen. Abram vond dat vreselijk, want hij had zo graag "Vader" voor zijn naam gehad. Om de kans daarop te vergroten besloot hij samen te gaan werken met Tovenaar God.
Gods eerste opdracht aan Abram was om zijn familie mee te nemen en ergens anders te gaan wonen, in een land dat Kanaan heet. Abram deed het braaf. Zo braaf dat God er geen lol in had, het moest moeilijker. Daarom liet God meteen hongersnood uitbreken in Kanaan, zodat de net verhuisde Abram met zijn vrouw naar Egypte moest vluchten. Daar sloot Abram vriendschap met de Farao, maar dat zinde God ook al niet, dus toverde hij dat er allemaal plagen uitbraken bij die grootste leider van Egypte.
Omdat hij God ondanks al die pesterijen trouw bleef, beloonde de tovenaar hem daarvoor. Abram werd een rijk man die heel veel land en slaven bezat en oorlogen won van iedereen die hem, zijn familie of God in de weg zat. Maar hij had nog steeds geen kinderen.
Op een dag toen God weer eens tegen Abram zei dat hij trots op hem was en hem rijkelijk zou belonen, zei Abram: "U kunt me zoveel geven, maar niet wat ik het liefst heb: een zoon". En God zei: wacht maar, ik zal voor een zoon zorgen.
Wat een aardige tovenaar, dacht Abram. Maar er gebeurde niets. Sara werd wanhopig van al die kansloze dromen van haar man. Hij bleef maar zeggen: God heeft het beloofd, ik krijg echt een zoon! Ze werd er gek van, en uiteindelijk zei ze: "Maar Abram, misschien bedoelde God wel dat je bij een andere vrouw een kind krijgt!"
Daar had Abram nog niet aan gedacht.
"Kijk, ik heb nog een leuke slavin uit Egypte, ze heet Hagar! Je mag haar wel even lenen hoor!", zei Sara. Dat liet Abram zich geen twee keer zeggen. Binnen de kortste keren was Hagar zwanger van Abram.
Voor Sara was dat wel even slikken. Ze had stiekem gehoopt dat de onvruchtbaarheid aan haar man had gelegen. En toen Hagar haar ook nog eens openlijk ging uitlachen, werd Sara zo boos dat ze huilend bij Abram kwam.
Nou, zei Abram tegen zijn vrouw, waarom kom je nou bij mij? Hagar is jouw slavin hoor, je mag met haar doen wat je wilt!
Sara stuurde Hagar weg de woestijn in, maar een lieve engel (daarover later meer) voorkwam dat ze uitgeput zou moeten bevallen en uiteindelijk werd Hagar weer een gelukkige slavin en mocht Abram de naam van zijn zoon uitkiezen: Ismael.
Toch vond Abram dat hij niet een echte zoon had.
(later meer)
|