Er was eens, heel lang geleden, een tovenaar die God heette. Volgens sommige mensen was
hij de grootste tovenaar die ooit leefde, anderen geloven dat hij nog steeds leeft. Ze zeggen dat
hij al leefde voordat de aarde bestond, en zelfs al voordat er mensen waren.
Adam en Eva
Zonder mensen om je heen kan je je makkelijk vervelen, en daarom besloot God op een dag dat hij maar eens de eerste
mensen moest toveren.
Maar een mens zonder wereld om in te leven, zo bedacht hij, zou maar een kale bedoening zijn. Daarom toverde hij eerst
allerlei andere dingen.
De eerste dag toverde hij het heelal en de aarde.
De tweede dag toverde hij het water.
De derde dag toverde hij de bomen en de planten.
De vierde dag toverde hij de zon, de maan en de sterren.
De vijfde dag toverde hij de dieren en tenslotte de zesde dag een mens.
Waar hij bij het toveren van de bergen, de zeeën, de fjorden, de sterren, de planten en de dieren dagenlang leuke
ontwerpjes had getoverd en zijn fantasie de vrije loop had laten gaan, was hij op het laatst toe aan rust.
Daarom toverde hij de mensen zoals hij er zelf uitzag en de dag erna nam hij vrij.
Vlak voordat hij de eerste mens toverde, maakte hij een kleine afgesloten tuin voor ze, die hij de Hof van Eden noemde. Een
grasveldje met een paar naaldbomen en twee heel bijzondere appelbomen in het midden. Over de kleinste van die twee
bomen sprak God een toverspreuk uit: hij toverde het zo, dat iedereen die daar van zou eten, nooit dood zou gaan.
Voor de grap verstopte hij in de andere, de grootste boom, een sprekende slang. Pas toen de tuin klaar was, toverde hij
Adam, de eerste man.
Toen hij zag dat Adam best een beetje alleen was, had hij zonder moeite nog een paar mensen kunnen toveren. Maar in
plaats daarvan rukte hij Adam een rib uit zijn lijf, en hij vertelde de naar adem snakkende Adam dat die rib echt nodig was
om een vrouw bij hem te toveren. Of God de rib echt gebruikt heeft, is niet duidelijk. Wel stond even later Eva, de eerste
vrouw, naast Adam in de tuin.
Meteen hierna vertelde God aan Adam en Eva dat ze alles mochten doen in de tuin, behalve van de grootste appelboom
eten. Maar de appels in die boom waren wel de mooiste uit de hele tuin. En God had de mensen zo gemaakt, dat als ze iets
niet mogen, ze dat juist het liefste willen. De sprekende slang die in de boom zat, was zo door God getoverd dat hij de hele
tijd reclame maakte voor de appels in zijn boom. "Kom maar Eva, deze appels zijn veel lekkerder, en als je er een eet, word
je vrij, en misschien wel net zo'n grote tovenaar als God zelf!"
Na een tijdje hield Eva het niet meer uit. Ze pakte een appel. Lief als ze was gaf ze Adam ook een hap, en toen kwam God
de tuin binnen. Adam en Eva verstopten zich snel onder een struik, maar God wist dat ze nog ergens waren, en hij
schreeuwde boos dat ze niet meer in de tuin mochten blijven.
Gelukkig bleek de slang gelijk te hebben. De appels waren echt lekker en door de appel op te eten ging het hek rond de
tuin open, en konden Adam en Eva de hele grote mooie wereld beginnen te veroveren. Ze vonden het een raadsel dat
anderen die nare tuin later het paradijs gingen noemen.
|