Er was eens, heel lang geleden, een tovenaar die God heette. Volgens sommige mensen was
hij de grootste tovenaar die ooit leefde, anderen geloven dat hij nog steeds leeft. Ze zeggen dat
hij al leefde voordat de aarde bestond, en zelfs al voordat er mensen waren.
Het maagdje Maria
Een kleine twintig jaar voor de mensheid jaren kon tellen, woonde er in een klein dorpje een getrouwd stel, Anna en Joachim. Toen zij een keer de liefde bedreven, gebeurde er iets heel bijzonders, waarvan niemand precies weet wat het was. Wel wordt dat moment nog steeds bij een speciale naam genoemd: het was onbevlekt.
Anna werd van die "onbevlekte ontvangenis" zwanger en het meisje dat aan het eind van die zwangerschap geboren werd, noemden ze Maria.
Toen Maria twaalf werd, kreeg ze verkering met een wat oudere timmerman die Jozef heette. Ze gingen in ondertrouw, wat betekent dat ze wilden trouwen, maar nog niet mochten seksen. Je kunt je misschien voorstellen wat voor drama het dan ook was, toen de jonge Maria ineens overtijd raakte. Jozef was best een aardige vent, maar hier had hij toch niet op gerekend. Hij twijfelde erg of hij misschien beter in stilte kon vluchten, maar na een - ongetwijfeld natte - droom besloot hij toch te blijven.
Wat er allemaal gebeurde in de dagen rondom de geboorte van het kind, dat ze Jezus zouden gaan noemen omdat dat in die tijd nog geen vloek was, kun je in het volgende sprookje lezen.
Van Maria en Jozef valt nog te vertellen dat ze na Jezus nog zeker vier zonen en twee dochters kregen, en dat Maria's geboorte op 9 september was; vanwege haar sterrenbeeld wordt ze dan ook tot op de dag van vandaag de Maagd Maria genoemd.
|